*

Wanneer je bovenaan in het menu op ‘Stabat sater’ klikt kan je de proloog lezen op mijn, nog dit jaar te verschijnen, tweede roman. Het is geen vervolg, alhoewel sommige personages uit ‘Hondsster’ terug hun opwachting zullen maken. Ook bepaalde locaties krijgen een nieuwe betekenis: ’t Dokske wordt de ‘Washington’. Ook dat is geschiedenis. Een andere geschiedenis.

Advertenties

foto: Martine Wathy

 
Op donderdag 1 november van 19 tot 21 uur signeer ik op de Boekenbeurs (hal 3, stand 314-317 van VBK) in het illustere gezelschap van Bernard Dewulf en A.H.J. Dautzenberg.
Om die twee uren in schoonheid door te brengen, nodig ik u uit om mij met uw aanwezigheid te vereren, desgewenst uw exemplaar van ‘Hondsster’ te laten signeren en samen van een glaasje wijn of Hertekamp te genieten.
 
 

25 november 2011, De Groene Waterman.

Stijn Vranken: Guy, jouw boek zou aanvankelijk ‘Roedel’ heten. Uiteindelijk is het ‘Hondsster’ geworden.

GD: In februari dit jaar is er bij uitgeverij Nieuw Amsterdam een boek met dezelfde titel (Roedel van Annemarie Bleeker) verschenen. Vandaar dat ik voor een andere titel gekozen heb, een keuze waar ik achteraf best tevreden over ben, omdat ‘Hondsster’ minder beladen, maar des te meer als iets ongrijpbaars klinkt. Uiteindelijk gaat het nog wel over het roedelgedrag van honden en andere dieren, zoals mensen…

SV: Hoe voel je je nu, als debutant, met een roman dan nog wel?

GD: Lichtjes gestresseerd, met eenzelfde onrust als tijdens het schrijven van het boek, dat vooral in de late uren tot stand is gekomen. Het feit dat ik Bert (Dockx van de Flying Horseman) heb gevraagd om deze avond muzikaal op te luisteren heeft daar voor een deel met te maken. Zijn songs hebben me meermaals geïnspireerd, omdat ze dezelfde, donkere sfeer oproepen die ik voor mijn verhaal in gedachten had.

SV: Ik ken jou al jaren, als dichter en vooral als dichter op een podium, en dan nu plotseling een roman. Is poëzie dan een soort aanloop geweest tot het zogenaamde ‘grotere werk’?

GD: Misschien is poëzie net het ‘grote werk’. Ik moet eerlijkheidshalve bekennen dat ik aanvankelijk helemaal niet het plan had opgevat om een roman te schrijven. Op een bepaald moment wou ik een kortverhaal schrijven, misschien omdat ik voelde dat gedichten voor mij stilaan een beperking inhielden. Dat verhaal is uiteindelijk een roman geworden; er kwamen langzaamaan meer en meer stukken bij, schillen noem ik ze. Het geheel is ook heel intuïtief gegroeid, er was aanvankelijk geen vooropgezette structuur, maar ik ben best tevreden over de opbouw van ‘Hondsster’. Ik heb ook gemerkt uit de eerste reacties dat de lezers totaal geen probleem hebben met het steeds wisselend vertelperspectief. Niet voor niets is ‘een schimmenspel’ de ondertitel van dit boek.

SV: Het is inderdaad een behoorlijk complex boek, op verschillende niveaus. Eén van de verhaallijnen is de familiestructuur die zich gaandeweg bloot geeft. Vanwaar dat ‘schimmenspel’?

GD: In het begin heb ik bewust met initialen gewerkt voor personages die pas later een voor- of achternaam krijgen, of een plaats in de constructie die ik tijdens het schrijven aan het bouwen was. Van één van de hoofdpersonages, de moeder, krijgt de lezer pas alle informatie wanneer haar erfenis uit de doeken wordt gedaan. Al die schimmen worden met mondjesmaat ingevuld, krijgen in de loop der gebeurtenissen contour, kleur en reliëf.

SV: Een soort puzzel waar alles op zijn plaats komt?

GD: Ja, ikzelf hou daar wel van, van iets dat zich maar langzaam prijs geeft. Nochtans heb ik me voorgenomen om me in mijn volgend boek (werktitel ‘Klauw’)  aan een duidelijke, lineaire structuur en één vertelperspectief te houden, als een soort uitdaging. Voorlopig toch…

SV:  Maar bij ‘Hondsster’ klopt het allemaal wel. Op het einde komen alle eindjes samen.

GD: Toch had ik het tijdens het schrijven soms zelf best moeilijk, om een personage of een plek in de juiste tijd te plaatsen. Op een bepaald moment heb ik een tijdslijn en een boomstructuur geconstrueerd om zelf de draad niet kwijt te raken. Gelukkig heb ik gemerkt dat mijn ‘eerste lezers’ probleemloos alles konden plaatsen, dat alles evident ‘binnenkwam’ en dat de schimmige opbouw het verhaal zelfs spannend maakte.

(In de zaal vallen er enkele glazen, en dan nog één, en nog één.)

SV: (Zijn dat uw vrienden,Guy?)
Het verhaal speelt zich voor een stuk in de jaren vijftig en zeventig af, een gedeelte in de tegenwoordige tijd. Periodes die overeenkomen met jouw eigen levensloop. Op het einde van het boek schrijf je “niet alles in dit verhaal is echt gebeurd”, wat zoveel zegt als…

GD: … dat er een hoop wél gebeurd is.

SV: Uw moeder is hier aanwezig. Als ik haar zie, kan ik haar moeilijk met Frau K. associëren. Een ander hoofdpersonage is Marcel. Ik weet best dat het verhaal niet autobiografisch is, maar toch: hoeveel Guy is Marcel?

GD: Ik durf daar geen percentage op te zetten, maar Marcel is ontegensprekelijk een stukje van mezelf. Marcel is de eeuwige buitenstaander, iemand die voortdurend buiten de dingen staat, vooral buiten het turbulente verleden van zijn moeder. En net dat laatste heeft totaal niets te maken met míjn werkelijkheid; ik ben opgegroeid in een veilig nest met ouders die me alle kansen hebben gegeven, in tegenstelling met Marcel die in een pleeggezin wordt geplaatst. ‘Hondsster’ is een mix van dingen die ik van op afstand ken, met situaties die ik zelf heb meegemaakt en dingen die ik fantaseer. Uiteindelijk ben ik me er van bewust dat mijn leven niet zo boeiend is, dat van mijn personages, hoop ik, wel.

SV: Maar je geeft wel bepaalde informatie waardoor de lezer er niet buiten kan dat er een deel realiteit in de fictie aanwezig is. Zo verwijs je in de aantekeningen naar bepaalde historische feiten en websites. Jouw boek appelleert dus toch wel aan een zekere werkelijkheid?

GD: Inderdaad. In dit boek verwijs ik onder andere naar een welbepaalde beweging in de geschiedenis van de hedendaagse kunst, al behoort die periode ondertussen tot de vorige eeuw. Naast een familiekroniek waarin twee personen mekaar na dertig jaar terug ontmoeten, is dit boek ook een reflectie over wat kunst kan teweegbrengen, over hoe ver men kan gaan in het ’bedrijven van kunst’.

SV: Misschien kan je iets meer vertellen over die ‘aktionen’? Ik vermoed dat niet iedereen hier weet wat ze hebben betekend.

GD: Om één of andere reden – en hierin heeft mijn opvoeding totaal geen invloed gehad –  ben ik van jongs af aan geïntrigeerd geweest door vooral hedendaagse kunst. Op een bepaald moment werd ik in mijn zoektocht geconfronteerd met zaken die mijn voorstellingsvermogen te boven gingen, acties van kunstenaars die mij, net zoals vele anderen, choqueerden en die ik moeilijk een plaats kon geven. Ook de kunstkritiek wist er amper raad mee. Het Wiener Aktionisme werd gemakkelijkshalve doodgezwegen, maar ik merk dat met een hernieuwde aandacht voor het conceptuele in de kunst, er terug aandacht wordt geschonken aan de morele positie die kunstenaars kunnen innemen.

SV: Eigenlijk zouden we nu een video moeten kunnen tonen van zo een aktion.

GD: Dat weet ik niet. Misschien is het beter dat ieder ze zich verbeeldt. Dat is net het fascinerende en daar gaat het in het boek ook over: hoe ver kan je gaan, wanneer wordt kunst ondraaglijk of ontoelaatbaar? Soms kan iets dat stoort ook mooi worden, net als in de muziek, wanneer een dissonant mooi gaat klinken. Niet alles hoeft zich perfect in een diatonische structuur af te spelen… Maar voor alle duidelijkheid: die Wiener Aktionisten zijn wel heel ver gegaan.

SV: ‘Dissonant’ is wel een understatement. Ik was min of meer op de hoogte van het bestaan van die beweging, maar in jouw boek krijgt de moeder van het hoofdpersonage wel een heel concrete rol.

GD: Als je naar theater gaat of film kijkt, zie je mensen sterven en de liefde bedrijven en doorgaans is het duidelijk dat het om een ‘spel’ gaat. Men kan daar verder in gaan en het extreme opzoeken. Zoals dat gebeurde in het Aktionisme, alhoewel het niet echt een beweging was, eerder een amalgaam van individuen, elk met een eigen demon die moest worden uitgedaagd. Zo had je Günter Brus die zichzelf verwondde en verminkte in zijn performances, tot hij op zeker moment een grens had bereikt. Hij heeft toen gekozen om zijn demonen in overigens prachtige tekeningen te bezweren. Kunstenaars kunnen radicaal ver gaan. Dat gebeurde niet alleen in Wenen, maar ook in Amerika en Japan, onder andere in de Bodyart en in het Butoh-theater. Het lichaam blijft een actueel en universeel gegeven.

SV: Vanwaar die fascinatie voor de grens van het toelaatbare? Waar zit de schoonheid in de afschuw?

GD: Eigenlijk hou ik van grenzen an sich. Ikzelf ben iemand die weinig grenzen durft te overschrijden; ik ben niet zo’n moedig mens. De wereld van het beeld toont mij een wereld waarin ik kan opgaan of waarvan ik afstand kan houden. Dat is ook wat ik in dit boek heb willen tonen, dat er zoiets bestaat tussen afschuw en verrukking en in de kunst is iedereen vrij om daarin keuzes te maken.

SV: Is het de taak van de kunstenaar om die grenzen op te zoeken? Of is kunst misschien de enige plek waar het geoorloofd is?

GD: Dat bepaalt de kunstenaar. Als schrijver heb ik met dit boek zeker niet die taak op mij willen nemen. Ik wou vooral een boeiend verhaal vertellen waarin dit vraagstuk een plaats kon krijgen.

SV: Bij het lezen had ik toch de indruk dat het om meer ging dan een kroniek van een turbulent tijdperk. Er zit toch ook een mening, een stellingname in.

GD: Marcel, die een deel van mijzelf vertegenwoordigt, zet zich af tegen wat er in die periode plaatsvond, maar als personage in het geheel verwijt hij zijn moeder vooral dat zij er toen niet voor hem was. Zelf vind ik dat het Aktionisme uiteindelijk weinig heeft teweeggebracht, laat staan dat het werkelijk iets heeft bereikt, buiten het feit dat ze een aantal mensen uit de zaal of het museum hebben gejaagd. In de aantekeningen verwijs ik naar een beroemde oorlogsfoto (van Nick Ut, Vietnam, 1972) die niet alleen weerzin oproept, maar wél iets in beweging heeft gezet.

SV: De titel heeft, zoals al werd aangehaald, ook iets met dieren te maken. Zijn wij net als dieren of is het erger dan dat?

GD: Soms wel. De mens is in staat om schoonheid te creëren, maar ook om haar met eenzelfde energie te vernietigen. (pauze) Maar toch heb ik getracht om een mooi boek te schrijven…

SV: Dat was dan misschien net de uitdaging. Verwijst de titel naar het hondse in de mens?

GD: De ster die Hondsster, of ook Sirius, wordt genoemd komt een aantal maal voor in het boek als een metafoor, als het meest heldere aan het firmament. Maar je zou ‘hondsster’ inderdaad ook kunnen lezen als een foutief gebruikt superlatief van ‘honds’.

SV: Naar het schijnt heeft jouw boek ook een vrouwonvriendelijk trekje?

GD: Ik vind net dat de vrouwen in mijn boek er sterk uit komen.

SV: Frau K. is toch een verzuurd, gefrustreerd iemand?

GD: Uiteindelijk wel, omdat haar wapen, haar lichaam, het laat afweten, maar in het verleden heeft zij toch wel straffe keuzes gemaakt. Het zijn eerder de mannen die het er slecht van afbrengen. De meesten van hen blijken onbetrouwbare en machtsgeile opportunisten te zijn. In dat opzicht vind ik het eerder een manonvriendelijk – en dus vrouwvriendelijk? – boek.

SV: Over je volgende roman dan: wat mogen we daarvan verwachten?

GD: Zoals ik al zei, wil ik het eenvoudiger van structuur houden, maar het zal ook weer een mix worden van fictie met autobiografische elementen, waarbij ditmaal de Oude muziek, en meer bepaald het ‘Stabat Mater’ van Palestrina, de leidraad zal vormen. Maar voorlopig wil ik er verder niet meer over kwijt.

SV: Zal het minder choquerend zijn?

GD: Is ‘Hondsster’ dan echt zo choquerend?

Ik heb Hondsster in één adem uitgelezen. Het is heel vlot en spannend geschreven, ontdaan van alle franjes, een gebalde stijl die me erg bevalt. Veruit het beste Vlaamse boek dat ik de laatste jaren las.
A. Z.

Knap werk. En een fantastisch onderwerp.
Voornaamste kritiek: het had wel wat langer gemogen!
R. DM.

Je slaat meermaals de nagel op de kop en je raakt bijzondere dingen aan. Je neemt geen blad voor de mond en dat apprecieer ik, en ik herken de hand van een meester, in zoverre ik natuurlijk ‘geschikt’ ben om handen van meesters te herkennen, ha.
E. DB.

Guy, je had mij er wel kunnen bij vertellen dat Hondsster een ‘pageturner’ is… Ik wil mijn bed niet meer uit! (met dit weer is dat geen probleem natuurlijk…).
Salut, want ik moet gaan lezen, xx
E. P.

Bedankt voor het schrijven van je prachtige boek. Ik vind het erg poëtisch geschreven en het is een goed opgebouwd verhaal.
J. P.

Hondsster vond ik essentieel, geen franjes, niet kaal.
Ik vond het een heel goed verhaal, stevig geschreven, zonder aanstellerij.
H. B.

Een boek dat een gevoel oplevert dat je niet direct zal loslaten. Een boek voor wie eens iets anders dan de doorsneekoek onder handen wil krijgen.
P. VDD.

Boeiend gecomponeerd en poëtisch geschreven verhaal in een (niet-storend) Vlaams taaleigen. Een origineel ‘schimmenspel’, waarmee de auteur twee zoeklijnen – historisch en psychologisch – kunstig vervlecht tot een confronterende en spannende ‘aktion’.
drs.P. VDH. (NBD|Biblion recensie)

Wat mij stoort is dat ‘niet-storend’. Ik stoor me daar al 20 jaar aan.
Zouden onze recensenten eens moeten schrijven over een Nederlander…  Maar ja, drs.P. is nog maar drs. Als die dr. wordt klinkt jouw taal meteen exotisch en puntgaaf.
G. S.

Ik kon meegezogen worden, genieten van de taal. Indrukwekkend! Ook de structuur.
M. M.

Knap, hoe je dat zelfgenoegzaam kunstwereldje letterlijk te kakken zet. Il faut le faire.
(anoniem)

 

foto’s: Martine Wathy


  
 
  

Hoogontwikkelde dieren leren om zich in het belang van de groep te ontfermen over wat zich zwak en breekbaar toont. De gretigheid waarmee dit proces zich bij de mens voltrekt zou menig dichter zorgen kunnen baren; een constante, te grote onderdruk zorgt er namelijk voor dat wankele harten alsmaar groter worden, tot ze uiteindelijk pompend uit hun voegen barsten of uitzinnig om zich heen schoppend (weliswaar met tranen in de ogen) om vergiffenis smeken.

‘Echt gebeurd is geen excuus.’
Gerard Reve